Uitspraak
17.4245 AWBZ
mr. J.J.Th. van Stiphout, advocaat, hoger beroep ingesteld.
OVERWEGINGEN
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving in 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van €17.053,84, dat door het Zorgkantoor bij vaststelling werd verlaagd tot €8.853,33 vanwege onvoldoende verantwoording van de besteding. Het Zorgkantoor verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze vaststelling niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, maar trok dit besluit later in en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond en het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk.
In hoger beroep stelde appellant dat de zorg door zijn moeder werd verleend en dat hij de administratie op gebruikelijke wijze had bijgehouden, ondanks het ontbreken van facturen en girale betalingen. De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan de verplichtingen uit de Regeling subsidies AWBZ, omdat geen betalingsbewijzen of declaraties waren overgelegd. Het Zorgkantoor was daarom bevoegd het pgb lager vast te stellen.
De Raad overwoog dat het Zorgkantoor zijn bevoegdheid tot terugvordering in redelijkheid heeft uitgeoefend, mede omdat appellant geen omstandigheden had aangevoerd die terugvordering zouden verhinderen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde niet, omdat de situatie in 2013 niet vergelijkbaar was met de eerdere controle in 2012. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot lager vaststellen van het pgb en de terugvordering van €8.200,51 wegens onvoldoende verantwoording.