ECLI:NL:CRVB:2018:2097

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2018
Publicatiedatum
11 juli 2018
Zaaknummer
16/7266 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Hoofdstuk IV Werkloosheidswet
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing faillissementsuitkering wegens ontbreken dienstbetrekking

Appellante heeft bij het UWV een aanvraag ingediend voor een faillissementsuitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een vermeend dienstverband met de eigenaar van een eenmanszaak. Het UWV vermoedde echter dat appellante niet daadwerkelijk als werknemer had gewerkt en startte een onderzoek. Dit leidde tot de conclusie dat er geen sprake was van een dienstbetrekking in de zin van de WW.

Het UWV wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dit oordeel, stellende dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst was, geen bewijs van loonbetaling of persoonlijke arbeid, en geen aanwijzingen voor een gezagsverhouding tussen appellante en de eigenaar van de eenmanszaak.

In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe gronden aangevoerd, maar volstond met een verwijzing naar eerdere beroepsgronden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank volledig en bevestigde de afwijzing van de faillissementsuitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De afwijzing van de faillissementsuitkering wordt bevestigd omdat appellante geen werknemer is in de zin van de WW.

Uitspraak

16.7266 WW

Datum uitspraak: 11 juli 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 oktober 2016, 15/7952 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Op 12 maart 2015 heeft appellante bij het Uwv een aanvraag ingediend om op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) betalingsverplichtingen uit een gesteld dienstverband met [naam X] , eigenaar van de eenmanszaak Autobedrijf [X] , over te nemen (een zogenoemde faillissementsuitkering).
1.2.
Omdat er een vermoeden bestond dat appellante niet bij [X] heeft gewerkt, heeft er onderzoek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 8 juli 2015, opgemaakt door [A] werkzaam bij de Directie Handhaving van het Uwv. In dit rapport heeft [A] geconcludeerd dat appellante geen werknemer is in de zin van de WW.
1.3.
Bij besluit van 17 juli 2015 heeft het Uwv de aanvraag van appellante om een faillissementsuitkering afgewezen, kort gezegd omdat appellante niet als werknemer verzekerd is voor de WW.
1.4.
Het Uwv heeft bij besluit van 13 november 2015 (bestreden besluit) het door appellante tegen het besluit van 17 juli 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, overwogen dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [X] , dat appellante dus geen werknemer is in de zin van de WW en daarom geen recht heeft op een faillissementsuitkering. Redengevend voor dit oordeel heeft de rechtbank geacht dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is, dat niet duidelijk is welke afspraken tussen appellante en [X] bestonden, dat niet is gebleken dat appellante loon heeft ontvangen noch dat zij persoonlijke arbeid voor [X] heeft verricht en dat appellante geen enkel (begin van) bewijs heeft aangedragen voor het bestaan van een gezagsverhouding tussen haar en [X] .
3.1.
In hoger beroep heeft appellante volstaan met een (enkele) verwijzing naar de
bezwaar- en beroepsgronden in de voorafgaande bezwaar- en beroepsprocedure.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe of andere gronden tegen de aangevallen uitspraak naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellante heeft zich beperkt tot een verwijzing naar de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden en heeft deze verder niet toegelicht.
4.2.
De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, en de overwegingen die hiertoe hebben geleid, worden volledig onderschreven. Volstaan wordt met een verwijzing daarnaar.
4.4.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en D.S. de Vries en
E.J.J.M. Weyers als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) J.R. Trox
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

LO