ECLI:NL:CRVB:2018:2097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing faillissementsuitkering wegens ontbreken dienstbetrekking
Appellante heeft bij het UWV een aanvraag ingediend voor een faillissementsuitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een vermeend dienstverband met de eigenaar van een eenmanszaak. Het UWV vermoedde echter dat appellante niet daadwerkelijk als werknemer had gewerkt en startte een onderzoek. Dit leidde tot de conclusie dat er geen sprake was van een dienstbetrekking in de zin van de WW.
Het UWV wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dit oordeel, stellende dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst was, geen bewijs van loonbetaling of persoonlijke arbeid, en geen aanwijzingen voor een gezagsverhouding tussen appellante en de eigenaar van de eenmanszaak.
In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe gronden aangevoerd, maar volstond met een verwijzing naar eerdere beroepsgronden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank volledig en bevestigde de afwijzing van de faillissementsuitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de faillissementsuitkering wordt bevestigd omdat appellante geen werknemer is in de zin van de WW.