ECLI:NL:CRVB:2018:205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten intrekking bijstand en boete wegens vermeende autohandel
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het bestuur trok bij besluiten uit 2011 en 2015 de bijstand over diverse maanden in en vorderde de kosten terug, omdat auto’s niet langer op naam van appellant stonden en werd aangenomen dat sprake was van autohandel. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. Het bestuur verlaagde later de boete gedeeltelijk en kende een vergoeding toe voor rechtsbijstand. In hoger beroep stelde appellant dat de auto’s al lange tijd op zijn naam stonden en dat er geen sprake was van autohandel, waardoor de intrekking en boete onterecht waren.
De Raad concludeerde dat de onderzoeksresultaten onvoldoende waren om autohandel aan te tonen, omdat een deel van de auto’s als vermogen was aangemerkt en andere auto’s al lang op naam van appellant stonden. Hierdoor ontbrak feitelijke grondslag voor de besluiten. De Raad vernietigde de bestreden besluiten en het nader besluit, herroept de intrekkingen en boete en veroordeelde het bestuur in de kosten van appellant.
Uitkomst: De bestreden besluiten tot intrekking van bijstand en oplegging van boete worden vernietigd en herroepen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.