ECLI:NL:CRVB:2018:201
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam ontdekte via een onderzoek, onder meer naar waterverbruik en woningconditie, dat appellante vermoedelijk niet op dat adres woonde. Het waterverbruik was extreem laag voor een tweepersoonshuishouden, en de woning verkeerde in een bouwkundige staat die niet geschikt was voor bewoning.
Het college besloot daarom de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en de ontvangen bedragen terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dat zij niet op het uitkeringsadres woonde, maar kon zij geen overtuigend tegenbewijs leveren.
De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het lage waterverbruik, het lage elektriciteitsverbruik en de bouwkundige staat van de woning ondersteunen dit. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.