ECLI:NL:CRVB:2018:1956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens voldoende verdiencapaciteit na ziekte
Appellant was sinds januari 2013 werkzaam als electromonteur en meldde zich in oktober 2013 ziek met vermoeidheidsklachten. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige beoordelingen vast dat appellant vanaf november 2014 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij nog 99,74% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met passende functies. Appellant voerde aan volledig arbeidsongeschikt te zijn en betwistte de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In eerste aanleg werd het beroep van appellant ongegrond verklaard. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en overhandigde aanvullende medische rapporten, waaronder neuropsychologische onderzoeken en brieven van behandelaars. Het UWV reageerde met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep die de beperkingen en de FML bevestigde.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de FML juist waren vastgesteld. De medische informatie van appellant bood geen aanleiding tot het aannemen van zwaardere beperkingen of een urenbeperking. De geselecteerde functies waren medisch geschikt en appellant kon deze zonder urenbeperking verrichten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.