Appellante ontving van 1996 tot 2014 bijstand en werd na een anonieme melding onderzocht op het bezit van onroerend goed in Turkije. Uit het onderzoek bleek dat zij meerdere woningen bezat die niet waren gemeld, wat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten.
Het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom trok de bijstand in wegens schending van de inlichtingenplicht en vorderde een bedrag van ruim €155.000 terug. Appellante stelde bezwaar in tegen de terugvordering, maar dit werd grotendeels ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het terugvorderingsbedrag onevenredig hoog was en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt recht op bijstand te hebben gehad indien zij het bezit had gemeld, en dat de gestelde persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd om van terugvordering af te zien.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.