ECLI:NL:CRVB:2018:1935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugbetalingsverplichting moeder bij inhouding bijstand zorgpremie
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet waarbij het college maandelijks een bedrag inhoudt vanwege zorgpremies die zijn moeder betaalde. Na onderzoek stelde het college vast dat de inhoudingen voor een bepaalde periode onterecht waren en herzag het besluit. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit waarbij het college stelde dat niet aannemelijk was dat sprake was van een geldlening met concrete terugbetalingsverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelt dat de verklaringen van de moeder en appellant geen concrete terugbetalingsverplichting aantonen, omdat de terugbetaling afhankelijk was gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis.
De enkele betaling van een bedrag door appellant aan zijn moeder met de omschrijving “TB premie” verandert hieraan niets. De Raad ziet geen aanleiding om de proceskosten aan appellant toe te wijzen en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen sprake is van een concrete terugbetalingsverplichting en verklaart het beroep ongegrond.