ECLI:NL:CRVB:2018:1931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet-verblijf op opgegeven uitkeringsadres bevestigd
Appellante ontving bijstand sinds september 2012 en stond ingeschreven op een woonwagenadres waar zij feitelijk niet verbleef. Het college voerde een onderzoek uit na een omzettingsonderzoek kostendelersnorm en constateerde dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde, wat zij niet had gemeld. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode van september 2012 tot april 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij het college volledig had geïnformeerd en dat zij feitelijk in de gemeente verbleef, onder meer bij een vriendin en haar moeder. De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat zij niet op het uitkeringsadres woonde. De door appellante overgelegde verklaringen en bankafschriften waren onvoldoende om haar woon- en leefsituatie aannemelijk te maken.
De Raad verwierp het bewijsaanbod van appellante om nader bewijs te leveren, omdat zij sinds het eerste besluit ruim twee jaar de gelegenheid had gehad om dit te doen. De intrekking van de bijstand en de terugvordering werden daarom bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.