Uitspraak
17.3206 WW
M.J.H. Maas.
OVERWEGINGEN
24 april 2014 is de verwijzing van appellant naar die brief onvoldoende om een bijzonder geval aan te nemen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was van maart tot juli 2013 werkzaam als uitzendkracht bij een bedrijf en kreeg een WW-uitkering ontzegd omdat hij vanaf juli 2013 weer werkte. Hij vroeg later een faillissementsuitkering aan, maar verzocht pas in april 2016 om een WW-uitkering over de periode van september tot december 2013. Het UWV weigerde dit omdat de aanvraag niet binnen 26 weken na afloop van de uitkeringsduur was ingediend en er geen sprake was van een bijzonder geval.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de aanvraag voor een faillissementsuitkering niet als aanvraag voor een WW-uitkering kon worden beschouwd. Appellant stelde in hoger beroep dat hij tijdig een aanvraag had willen doen, maar dat hem dit werd geweigerd vanwege een lopende bezwaarprocedure. Hij overhandigde een brief van zijn gemachtigde ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief onvoldoende bewijs leverde voor een bijzonder geval en dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellant niet binnen de wettelijke termijn een aanvraag had ingediend. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak dat de WW-uitkering niet wordt uitbetaald over de genoemde periode.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt niet toegekend omdat appellant niet tijdig een aanvraag indiende en geen bijzonder geval aannemelijk maakte.