Appellante, geboren in 1927 en bekend met diverse aandoeningen, heeft bij het CIZ indicaties voor persoonlijke verzorging en verpleging aangevraagd. Het CIZ heeft deze aanvragen deels gehonoreerd met indicaties voor verschillende klassen en periodes, waarop appellante bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond en liet nieuwe medische brieven buiten beschouwing wegens te late indiening.
In hoger beroep voert appellante aan dat de rechtbank onterecht het tweede besluit en de late brieven niet heeft betrokken, dat zij meer beperkingen heeft dan door de medisch adviseur is aangenomen en dat de geïndiceerde zorg onvoldoende is. Tevens verzoekt zij om schadevergoeding.
De Raad oordeelt dat het tweede besluit wel wordt betrokken en dat de late brieven terecht buiten beschouwing zijn gelaten, behalve het verzoek om schadevergoeding dat nog behandeld kan worden. De Raad stelt vast dat het medisch advies zorgvuldig is opgesteld, met juiste interpretatie van huisarts- en specialistinformatie, en dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat zij meer zorg nodig heeft. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze niet heeft beslist op het schadevergoedingsverzoek, wijst dit verzoek af en veroordeelt het CIZ in de proceskosten van appellante.