Uitspraak
mr. Welter.
OVERWEGINGEN
1. Voor de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond heeft de geleider aanspraak op een compensatie in tijd of in geld.
3. (…)
4. De compensatie in geld bedraagt € 256,75 per maand.
5. De compensatie heeft geen betrekking op de noodzakelijke verzorging van de diensthond binnen werktijd.
Het Hof heeft gepreciseerd dat de woorden ‘jaarlijkse vakantie met behoud van loon’ in de zin van artikel 7 van Pro de Richtlijn betekenen dat het loon gedurende de jaarlijkse vakantie in de zin van de Richtlijn moet worden doorbetaald en dat de werknemer voor deze rustperiode zijn normale loon dient te ontvangen. Het vereiste van betaling van vakantieloon heeft tot doel, de werknemer tijdens de jaarlijkse vakantie in een situatie te brengen die qua beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens de gewerkte periodes (arrest van het Hof van 16 maart 2006, C-131/04 en C-257/04, Robinson-Steele, punten 50 en 58, en het arrest van het Hof van 20 januari 2009, C-350/06 en C-520/06, Schultz-Hoff, punten 58 en 60).