ECLI:NL:CRVB:2018:1567
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding huishoudelijke hulp op grond van AOR wegens ontbreken medische noodzaak
Appellant, geboren in 1939, diende een aanvraag in op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) voor vergoeding van huishoudelijke hulp. Bij besluit van 10 november 2015 werd appellant erkend als oorlogsslachtoffer, maar niet arbeidsongeschikt verklaard vanwege het oorlogsletsel. Het verzoek om vergoeding van huishoudelijke hulp werd afgewezen omdat geen medische noodzaak werd vastgesteld.
De medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs concludeerden dat appellant psychische klachten heeft met een algemene invaliditeit van 25%, waarvan slechts een vijfde deel aan oorlogsgebeurtenissen kan worden toegeschreven. Dit voldoet niet aan de ondergrens van 10% invaliditeit die vereist is voor toekenning onder de AOR. Er is geen aanleiding voor nader medisch onderzoek.
Appellant betoogde dat hem een nader medisch onderzoek was toegezegd, maar dit werd niet bevestigd. Ook is vastgesteld dat appellant nog in staat is licht en zwaar huishoudelijk werk te verrichten. De Raad oordeelt dat het besluit zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd, en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding huishoudelijke hulp wordt afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak.