ECLI:NL:CRVB:2018:1380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij intrekking leenbijstand
Appellante ontving sinds 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen trok de bijstand over een korte periode in 2014 in, omdat appellante toen gedetineerd was, wat volgens artikel 13 van Pro de Wet werk en bijstand uitsluiting van recht op bijstand tot gevolg heeft. De bijstand was verleend in de vorm van een geldlening vanwege een lopende beroepsprocedure over een andere uitkering.
Het college vorderde later de geleende bijstand terug, maar verklaarde het bezwaar van appellante gegrond en zag af van terugvordering. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking van de bijstand ongegrond. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, stellende dat haar detentie niet tot intrekking had mogen leiden.
De Raad stelde ambtshalve vast dat appellante onvoldoende procesbelang had bij haar hoger beroep, omdat het college had aangegeven geen gebruik te zullen maken van de bevoegdheid om de bijstandskosten alsnog terug te vorderen. Hierdoor had de intrekking van de leenbijstand geen feitelijke gevolgen voor appellante. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 mei 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.