ECLI:NL:CRVB:2018:13
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding mederekeninghouder bankrekeningen
Appellant ontving bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht tot 1 september 2014. Naar aanleiding van een vermogenssignaal en onderzoek van de sociale recherche bleek dat appellant beschikte over twee bankrekeningen die mede op zijn naam stonden, maar niet waren gemeld aan het college. Het college trok de bijstand over bepaalde perioden in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de tegoeden op de bankrekeningen van zijn moeder waren en dat hij niet vrijelijk over het geld kon beschikken, mede vanwege zijn schuldenproblematiek. Hij verwees naar een eerdere uitspraak ter ondersteuning.
De Raad oordeelde dat het feit dat appellant mederekeninghouder was, impliceert dat hij redelijkerwijs over het tegoed kon beschikken, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt. Appellant slaagde hier niet in, aangezien hij zelf verklaarde de bankpas te hebben en regelmatig geld opnam. Het beroep op de eerdere uitspraak faalde omdat die situatie anders was.
De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en de terugvordering van de kosten. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.