Uitspraak
16.5390 PW, 16/5391 PW, 16/5392 PW, 16/5393 PW, 16/5394 PW, 16/6161 PW
OVERWEGINGEN
.
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;
- bevestigt de aangevallen uitspraak 2.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen geconfronteerd met een intrekking en terugvordering van bijstandskosten wegens het verzwegen voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant, de vader van haar kind. Het college baseerde dit op een onderzoek van een sociaal rechercheur en verklaringen van omwonenden.
De rechtbank had het beroep van appellante deels gegrond verklaard, maar de meeste besluiten van het college gehandhaafd. Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde of er voldoende feitelijke grondslag was voor het standpunt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden in de periode van 18 december 2013 tot en met 16 februari 2015.
De Raad concludeerde dat appellant zijn hoofdverblijf bij appellante had, ondanks dat hij op een ander adres stond ingeschreven, op basis van verklaringen van appellanten zelf, omwonenden en politiegegevens. De Raad verwierp het verweer dat appellant slechts incidenteel verbleef vanwege problemen met een derde partij. Verder werd geoordeeld dat appellante onvoldoende had aangetoond dat haar woonsituatie was gewijzigd bij de latere aanvragen om bijstand. Ook het niet meewerken aan een huisbezoek door geen toegang tot de schuur te verlenen, werd als onvoldoende medewerking beoordeeld.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraken van de rechtbank en wees de hoger beroepen van appellanten af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en wijst de daaropvolgende aanvragen om bijstand af.