ECLI:NL:CRVB:2018:1203

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2018
Publicatiedatum
20 april 2018
Zaaknummer
17/1856 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vergoeding tandheelkundige behandeling na eenmalige gebitsrehabilitatie

Appellant, erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht om vergoeding van tandartskosten voor een behandeling aan element 35. Eerder was een vergoeding toegekend voor een eenmalige gebitsrehabilitatie.

Verweerder wees de aanvraag af omdat het probleem aan element 35 een defect betreft dat bij iedereen van appellants leeftijd kan ontstaan en daarom als gebruikelijk onderhoud wordt beschouwd. De Raad bevestigt dat het beleid van eenmalige vergoeding voor gebitsrehabilitatie vaste rechtspraak is, maar benadrukt dat elke nieuwe aanvraag op medische noodzaak en causaal verband met oorlogsgeweld moet worden beoordeeld.

Op basis van adviezen van geneeskundig en tandheelkundig adviseurs en informatie van de behandelend tandarts concludeert de Raad dat element 35 bij de eerste rehabilitatie in goede staat was en de huidige behandeling geen verband houdt met oorlogsgeweld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van vergoeding van tandheelkundige kosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

17.1856 WUV

Datum uitspraak: 12 april 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 februari 2017, kenmerk BZ011049929 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2018. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1940 in het voormalig Nederlands-Indië, is in 1989 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Bij besluit van 20 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd
bij besluit van 27 december 2012, is aan appellant een vergoeding voor de kosten van gebitsrehabilitatie toegekend met ingang van 1 januari 2011. Bij uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:842, heeft de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van
27 december 2012 ongegrond verklaard.
1.2.
Bij brief van 15 mei 2016 heeft appellant verweerder opnieuw verzocht om vergoeding van de tandartskosten verbonden aan een behandeling. Bij besluit van 14 oktober 2016, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, is deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant in 2012 een vergoeding heeft ontvangen voor een éénmalige gebitsrehabilitatie. De behandeling die thans aan element 35 heeft plaatsgevonden dient te worden gezien als gebruikelijk onderhoud. Dit gebitsprobleem is een defect dat bij een ieder van appellants leeftijd kan ontstaan.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Het beleid van verweerder om in gevallen als het onderhavige te volstaan met vergoeding van een eenmalige gebitsrehabilitatie is door de Raad in vaste rechtspraak aanvaard (uitspraak van 22 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX9737). Het uitgangspunt van eenmaligheid neemt echter niet weg dat ook bij iedere opvolgende aanvraag voor tandartskosten een onderzoek moet worden ingesteld naar de medische noodzaak van de nieuwe behandeling en het causaal verband met het ondergane oorlogsgeweld (uitspraak van 11 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5326).
2.2.
Het standpunt van verweerder is gebaseerd op de adviezen van verweerders geneeskundig adviseurs en de tandheelkundig adviseur, tandarts M. Schächter. Daarbij is informatie ingewonnen bij de behandelend tandarts. De tandheelkundig adviseur heeft geconcludeerd dat element 35 bij de eerste gebitsrehabilitatie in goede staat verkeerde en geen behandeling behoefde. Het probleem dat nu aan dit element is ontstaan is een defect dat bij een ieder van deze leeftijd kan ontstaan. De behandeling dient daarom als gebruikelijk onderhoud te worden gezien. Appellant meent daarentegen dat sprake is van noodzakelijk onderhoud voor gebitsklachten die verband houden met de ondergane vervolging. Alhoewel dit standpunt van appellant invoelbaar is, heeft de Raad geen gegevens ontvangen die aanleiding geven voor twijfel aan het oordeel van de tandheelkundig adviseur. De weigering om de kosten van de tandheelkundige behandeling te vergoeden houdt dus in rechte stand.
2.3.
Het beroep is ongegrond.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2018.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) J. Smolders
sg