ECLI:NL:CRVB:2018:1202
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning en uitkering burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit
Appellante, geboren in 1935 in Nederlands-Indië, diende in 2010 een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wubo. Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit had. Na een eerdere uitspraak van de Raad werd een nieuwe beslissing genomen, waarbij werd geoordeeld dat er geen sprake was van blijvende invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld.
In 2015 verzocht appellante om toekenning van een toeslag en aanvullende voorzieningen vanwege vermeende toegenomen gezondheidsklachten en nerveuze aandoeningen. Verweerder wees dit verzoek af, stellende dat de klachten niet leidden tot blijvende invaliditeit en dat sommige aandoeningen niet oorzakelijk verband hielden met het oorlogsgeweld.
De Raad beoordeelde het medisch onderzoek als zorgvuldig en concludeerde dat de beperkingen van appellante niet voldeden aan de criteria voor blijvende invaliditeit volgens de Wubo. Het advies van de arts Van den Brand, waarop appellante zich baseerde, werd niet als doorslaggevend erkend. Ook werd geen aanleiding gezien voor de benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.