Appellante trad op 1 september 2015 in dienst bij de Omgevingsdienst Groningen met een tijdelijke aanstelling van een jaar. Bij besluit van 28 juli 2016 werd haar tijdelijke aanstelling niet verlengd wegens onvoldoende functioneren. Dit besluit en de daaropvolgende beslissing op bezwaar werden door de rechtbank Noord-Nederland vernietigd vanwege gebrekkige motivering en mandaatfouten.
Het bestuur nam op 3 augustus 2017 een nieuw besluit waarin het functioneren van appellante opnieuw als onvoldoende werd beoordeeld, gebaseerd op verklaringen van vier collega’s. Appellante betwistte deze verklaringen en stelde dat zij niet was gewezen op tekortkomingen en geen kans had gekregen haar functioneren te verbeteren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestuur zich niet redelijk had opgesteld omdat de kritiek niet werd ondersteund door gespreksverslagen of andere stukken en de directeur slechts zes weken met appellante had samengewerkt. Daarnaast waren er positieve verklaringen van andere collega’s. Daarom werd het besluit vernietigd, het eerdere besluit van 28 juli 2016 herroepen en het onderzoek naar schadevergoeding heropend.
De Raad veroordeelde het bestuur tevens tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 19 april 2018.