ECLI:NL:CRVB:2018:1145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over begeleidingsbehoefte en beschutte arbeid bij Wajong-aanvraag
Appellant, geboren in 1996, diende een aanvraag in voor arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong vanwege een licht verstandelijke handicap. Het UWV wees het verzoek af omdat appellant niet aan de voorwaarden voldeed, ondanks medische en arbeidskundige onderzoeken die stelden dat hij meer dan 75% van het wettelijk minimumloon kan verdienen.
Appellant voerde bezwaar aan met onderbouwing van begeleiders die stelden dat hij veel begeleiding nodig heeft en niet zelfstandig kan functioneren. Het UWV handhaafde het besluit, gesteund op rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die concludeerden dat appellant eenvoudige functies onder directe leiding kan vervullen.
De Raad heropende het onderzoek en vroeg nadere toelichting over de mate van begeleiding die appellant nodig heeft. Uit de aanvullende rapporten bleek dat appellant weliswaar eenvoudige taken kan uitvoeren, maar intensievere begeleiding nodig heeft dan redelijkerwijs van een meewerkend voorman of collega verwacht mag worden.
De Centrale Raad concludeert dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellant niet is aangewezen op werk onder beschutte omstandigheden en draagt het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen. De uitspraak betreft een tussenuitspraak in hoger beroep tegen een eerdere rechtbankuitspraak.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen wegens onvoldoende motivering over de begeleidingsbehoefte en beschutte arbeid.