ECLI:NL:CRVB:2018:1135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.J.M. Heijs
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens arbeidsongeschiktheid zonder verplichting tot jobcarving
Appellante was sinds 1987 werkzaam bij de gemeente Oosterhout en ontving sinds 2000 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na toegenomen klachten in 2014 werd haar arbeidsongeschiktheid herzien naar 65-80%. Een arbeidsdeskundig onderzoek concludeerde dat haar eigen werk niet passend was en dat er geen andere passende functies binnen de gemeente waren. Hoewel jobcarving werd geadviseerd, zag het college geen verplichting om een passend takenpakket te creëren.
Het college verleende appellante per 1 september 2016 ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat het college voldoende re-integratie-inspanningen had verricht en geen passende functie hoefde te creëren.
In hoger beroep bevestigde de Raad deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het college terecht geen passende functie via jobcarving had gecreëerd, mede vanwege de aanzienlijke beperkingen van appellante en het ontbreken van concrete deeltaken die zij kon verrichten. Het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel faalde. Ook werd het verwijt van werkweigering verworpen.
De Raad concludeerde dat het ontslag terecht was verleend en bevestigde de eerdere uitspraak zonder toekenning van een ontslagvergoeding of schadevergoeding.
Uitkomst: Het ontslag van appellante wegens arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd zonder toekenning van schadevergoeding.