ECLI:NL:CRVB:2018:1088
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen opschortingsbesluit bijstand
Appellante maakte bezwaar tegen een opschortingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, waarbij haar bijstand werd opgeschort vanwege het niet verschijnen bij een onderzoek. Kort daarna trok het college de bijstand definitief in omdat appellante niet was verschenen op twee oproepdata.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het opschortingsbesluit niet-ontvankelijk omdat appellante geen belang had bij de beoordeling, nu het intrekkingsbesluit onherroepelijk was geworden doordat zij daartegen geen bezwaar had ingediend.
In hoger beroep stelde appellante dat haar bezwaar tegen het opschortingsbesluit ook mede gericht was tegen het intrekkingsbesluit, en dat zij wel degelijk belang had bij de beoordeling van het bezwaar omdat een gegrondverklaring het intrekkingsbesluit zou doen vervallen.
De Raad oordeelde dat het bezwaarschrift van appellante dateerde van vóór het intrekkingsbesluit en dat daaruit niet bleek dat zij bezwaar wilde maken tegen het intrekkingsbesluit. Het latere bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit was niet tijdig. Bovendien had appellante geen belang bij de beoordeling van het opschortingsbesluit omdat het intrekkingsbesluit onherroepelijk was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet-ontvankelijk is in haar bezwaar tegen het opschortingsbesluit omdat het intrekkingsbesluit onherroepelijk is.