ECLI:NL:CRVB:2018:104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- A.T. de Kwaasteniet
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant werkte tot 1 januari 2009 als fulltime bekleder van autostoelen en ontving daarna een WW-uitkering. Vanaf 1 oktober 2009 meldde hij zich ziek. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering voerde psychiater Kondakçi een expertise uit, waarna het UWV vaststelde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering.
Na een melding van verslechterde gezondheid in 2012 werd appellant opnieuw onderzocht. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat appellant nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt was, ondanks enkele beperkingen in het werk zonder deadlines en leidinggevende taken. Het UWV wees de aanvraag opnieuw af, en de bezwaarprocedure leidde tot bevestiging van dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen waren onderschat en dat onterecht geen urenbeperking was meegenomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de medische en arbeidskundige rapporten overtuigend en consistent waren. De verslechtering van de gezondheid na de beoordelingsdatum was niet relevant voor de beslissing.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.