ECLI:NL:CRVB:2018:1030
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- J.T.H. Zimmerman
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij bijstandsverlaging gezin met inwonende moeder
Appellant ontvangt sinds februari 2014 bijstand op basis van de gehuwdennorm, welke met 10% is verlaagd vanwege de kostendelersnorm, omdat hij samenwoont met zijn echtgenote, kinderen en zijn moeder. Het college van burgemeester en wethouders van Schiedam heeft bij besluit van 22 juni 2015 de bijstand verlaagd tot 86,66% van de gehuwdennorm, omdat de moeder als medebewoner wordt meegeteld.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de toepassing van de kostendelersnorm in zijn situatie leidt tot een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn eigendomsrecht zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP), omdat hij hierdoor onevenredig zwaar wordt getroffen.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat voor een gerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht de maatregel proportioneel moet zijn en niet mag leiden tot een buitensporig zware last. Hoewel appellant stelde dat zijn moeder tot 1 maart 2016 geen inkomen had, heeft hij onvoldoende concrete gegevens over het inkomsten- en uitgavenpatroon van zijn gezin overgelegd om aan te tonen dat de kostendelersnorm een buitensporige last vormt.
De Raad concludeerde dat de aangevoerde omstandigheden ontoereikend zijn om de buitensporige last aan te tonen en bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.