ECLI:NL:CRVB:2018:1008
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit over beslagvrije voet en aflossingsbedrag bij bijstand
Appellant ontvangt bijstand en heeft een schuld aan het college, waardoor het college maandelijks bedragen op zijn bijstand inhoudt. Appellant verzocht om verlaging van de inhouding omdat deze meer dan 10% van zijn uitkering bedroeg. Het college stelde de inhouding vast op 10% van de bijstandsnorm. Appellant maakte bezwaar en overlegde later financiële gegevens over zorgtoeslag.
Het college verlaagde daarop het in te houden bedrag met ingang van 1 december 2014, maar zag geen aanleiding om dit met terugwerkende kracht toe te passen omdat de benodigde gegevens pas in de bezwaarfase waren overgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stond enkel de ingangsdatum van de aanpassing centraal. De Raad oordeelde dat het college onverwijld rekening moet houden met wijzigingen die de beslagvrije voet verhogen zodra de reden daarvoor is aangetoond. Omdat appellant de gegevens pas op 10 december 2014 aanleverde, was het college niet verplicht eerder terugwerkende kracht toe te passen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder terugwerkende kracht toe te passen op het aflossingsbedrag.