Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam bij de politie en na een opleiding Politiekundige Bachelor op niveau 5, verzocht om bevordering naar salarisschaal 8. Dit verzoek werd afgewezen omdat artikel 3, zevende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) alleen geldt voor aspiranten, en appellante was een doorstromer, geen aspirant.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellante niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbp, omdat zij ten tijde van de opleiding reeds een hogere functie bekleedde.
Appellante voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel haar recht gaf op gelijke behandeling met aspiranten, maar dit werd verworpen vanwege verschillen in rechtspositie en het ontbreken van toezeggingen voor bevordering. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht is genomen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot bevordering naar salarisschaal 8 wordt afgewezen omdat artikel 3, zevende lid, van het Bbp niet op appellante als doorstromer van toepassing is.