ECLI:NL:CRVB:2017:948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel 100% verlaging bijstand wegens onvoldoende participatie en recidive
Appellante, een alleenstaande moeder met zes kinderen, ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en was verplicht deel te nemen aan arbeidsinschakelingsactiviteiten. Na meerdere gesprekken in het kader van het project Huis aan Huis aan het Werk, waarin zij aangaf niet te kunnen participeren vanwege de zorg voor haar ernstig zieke dochter, verscheen zij zonder bericht niet op een verplichte oproep voor een gesprek. Het college legde daarop een maatregel op van 100% verlaging van de bijstand gedurende twee maanden wegens recidive.
Appellante maakte bezwaar tegen deze maatregel, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het niet verschijnen zonder geldige reden een gedraging is die rechtvaardigt dat de maatregel wordt opgelegd. De persoonlijke omstandigheden van appellante, waaronder de zorg voor haar zieke dochter, rechtvaardigen volgens de Raad geen matiging of afzien van de maatregel.
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellante geen ondubbelzinnige toezegging kon aantonen dat zij niet hoefde te participeren. De Raad concludeerde dat de maatregel niet disproportioneel is en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De maatregel van 100% verlaging van de bijstand gedurende twee maanden wegens onvoldoende participatie en recidive wordt bevestigd.