Uitspraak
22 april 2016, 15/6655 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 23 april 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 30 september 2015, gebaseerd op artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, met verwijzing naar het koppelingsbeginsel dat vreemdelingen zonder verblijfsrecht geen aanspraak geeft op Wmo-voorzieningen. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet valt onder de categorieën die op grond van de Wmo 2015 aanspraak kunnen maken op een maatwerkvoorziening, noch gelijkgesteld is aan een Nederlander volgens het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad verwees naar zijn eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigde dat appellant geen recht heeft op een maatwerkvoorziening. De aangevallen uitspraak werd daarmee bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de maatwerkvoorziening op grond van het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015.