Uitspraak
22 april 2016, 15/6883 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
Appellant behoudt wel de onverplicht geboden opvang.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college kende crisisopvang toe, maar wees een maatwerkvoorziening af op grond van artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, met verwijzing naar het koppelingsbeginsel dat vreemdelingen zonder verblijfsrecht uitsluit van aanspraak op Wmo-voorzieningen. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad volgde appellant niet en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Vreemdelingen als appellant worden niet gelijkgesteld aan Nederlanders en kunnen op grond van artikel 1.2.2 Wmo 2015 geen maatwerkvoorziening ontvangen. De Raad verwees daarbij naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1) die dit standpunt onderbouwt.
De Raad wees tevens het verzoek om proceskostenveroordeling af en bevestigde de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking had op de Wmo 2015.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 vanwege het koppelingsbeginsel.