Uitspraak
22 april 2016, 15/4949 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek op 17 maart 2015 af en verklaarde het bezwaar hiertegen op 30 juli 2015 ongegrond, met verwijzing naar artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat appellant geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat appellant niet als een vreemdeling in de zin van artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 kan worden beschouwd en evenmin op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld is. Daarmee is geen recht op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 aanwezig. De Raad verwees naar een eerdere uitspraak van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1) ter onderbouwing van dit standpunt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees het beroep van appellant af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015.