ECLI:NL:CRVB:2017:62
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens onduidelijke kasstortingen niet gegrond verklaard
Appellant ontving bijstand sinds 2012 en werd onderzocht vanwege vermoedelijke werkzaamheden als marktkoopman. Tijdens het onderzoek werden diverse kasstortingen op zijn bankrekening vastgesteld, waarvan de herkomst onduidelijk was. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting zou hebben geschonden.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij alle gevraagde bankafschriften had overgelegd en de herkomst van de stortingen had toegelicht met verklaringen van derden. De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting wel had geschonden door geen melding te maken van de kasstortingen, maar dat het recht op bijstand wel kon worden vastgesteld omdat er geen aanwijzingen waren voor middelen buiten de kasstortingen.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen waarbij de kasstortingen als inkomen worden toegerekend aan de maanden van storting. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens onduidelijke kasstortingen worden vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.