ECLI:NL:CRVB:2017:6
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college om aanvraag bijzondere bijstand buiten behandeling te laten wegens niet ingeleverde toevoeging RvR
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de eigen bijdrage rechtsbijstand, maar leverde niet tijdig de benodigde toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) aan. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat essentiële stukken ontbraken. Appellant stelde dat het college de hersteltermijn had moeten verlengen omdat slechts een kleinigheid ontbrak, maar de Raad oordeelde dat de toevoeging geen kleinigheid is, maar een essentieel stuk voor de beoordeling van de aanvraag.
De Raad verwees naar beleidsvoorschriften van de gemeente Amsterdam waarin staat dat een hersteltermijn verlengd wordt bij het ontbreken van een kleinigheid, maar benadrukte dat de aard en relevantie van het ontbrekende stuk doorslaggevend zijn. Appellant droeg onvoldoende bewijs aan dat het college onredelijk had gehandeld. De Raad bevestigde het besluit van het college en de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
De Raad wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af en concludeerde dat het college terecht en binnen zijn bevoegdheid heeft gehandeld door de aanvraag buiten behandeling te laten vanwege het ontbreken van de toevoeging van de RvR.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college bevoegd was de aanvraag bijzondere bijstand buiten behandeling te laten wegens het niet tijdig aanleveren van de essentiële toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand.