ECLI:NL:CRVB:2017:540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling evenredige boete wegens verzwegen hennepkwekerij bij bijstandsontvanger
Appellant, een bijstandsontvanger, kreeg bijstand ingetrokken en een boete opgelegd wegens het verzwegen van een hennepkwekerij in zijn woning over de periode van 20 juli tot 1 november 2013. Het college legde een boete op gelijk aan 100% van het ontvangen bijstandsbedrag, maar de rechtbank stelde deze boete lager vast op €3.100,- om te voorkomen dat de boete hoger zou zijn dan de benadeling.
In hoger beroep betoogde appellant dat er dringende redenen waren om van de boete af te zien vanwege zijn schulden en bijstandsinkomen. De Raad oordeelde dat deze omstandigheden niet voldeden aan de criteria voor dringende redenen zoals bedoeld in de Wet werk en bijstand. Wel werd erkend dat bij het bepalen van de hoogte van de boete rekening moet worden gehouden met de draagkracht van appellant.
Het college stelde dat vanwege de aard van hennepteelt grote winsten konden worden behaald en wilde daarom afwijken van de gebruikelijke systematiek, maar kon dit niet met concrete aanwijzingen onderbouwen. De Raad volgde dit niet en stelde de boete vast op €2.358,89, zijnde 24 maal 10% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, waarmee voldoende rekening is gehouden met de financiële omstandigheden van appellant.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze het hogere boetebedrag vaststelde. Daarnaast werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €2.358,89, lager dan het eerdere bedrag van €3.100,-, rekening houdend met de financiële situatie van appellant.