Uitspraak
15 september 2015, 14/6415 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, maakte bezwaar tegen de voorwaarden van opvang in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college wees haar aanvraag om maatschappelijke opvang af en handhaafde dit besluit bij bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante wel een belang heeft bij beoordeling van haar recht op maatschappelijke opvang. De beoordelingsperiode loopt van de datum van de aanvraag tot de beslissing op bezwaar. De Raad wijst het beroep af omdat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.
Hoewel appellante niet tot de VBL is toegelaten, is daartegen beroep mogelijk bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Andere gronden van het hoger beroep worden niet behandeld. De aangevallen uitspraak wordt met verbetering van gronden bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat opvang in een VBL als voorliggende voorziening geldt.