Uitspraak
29 september 2015, 14/7153 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
8 augustus 2014 afgewezen.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, vroeg opvang aan op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag op 8 augustus 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 28 oktober 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het besluit van 8 augustus 2014 geen herhaald besluit is en dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. Dit oordeel volgt uit eerdere jurisprudentie en internationale verplichtingen.
Daarom vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Een veroordeling in proceskosten wordt niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie als voorliggende voorziening geldt.