ECLI:NL:CRVB:2016:2212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen brief beëindiging maatschappelijke opvang
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verbleef vanaf november 2013 zes maanden in maatschappelijke opvang in de Vluchthaven. Na afloop van deze periode diende appellant een verzoek in tot continuering van de opvang. Het college stuurde op 4 juli 2014 een brief waarin werd medegedeeld dat de opvangperiode was verstreken en beëindigd moest worden, met het voorstel om het verzoek als een aanvraag om maatschappelijke opvang te behandelen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro zou zijn. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen ervan omdat de brief slechts een informatieve mededeling betrof en geen zelfstandig rechtsgevolg had.
In hoger beroep betoogde appellant dat de brief wel een besluit tot beëindiging van de opvang was en dus aanvechtbaar moest zijn. De Raad oordeelde echter dat de brief geen zelfstandig besluit was, omdat bij aanvang van de opvang de einddatum al vaststond en appellant bekend was met de mogelijkheid tot bezwaar. De brief bevatte slechts een informatieve mededeling en een voorstel om het verzoek als een nieuwe aanvraag te behandelen.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief van 4 juli 2014 geen besluit is en wijst het hoger beroep af.