Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:4349

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 december 2017
Publicatiedatum
20 december 2017
Zaaknummer
15/8314 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 47 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid per 6 januari 2014

Appellante, sinds 19 september 2011 arbeidsongeschikt als arbeidsvoorwaarden consulent, kreeg per 6 januari 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 82,67%. Zij stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV waarin zij betoogde dat haar arbeidsongeschiktheid niet alleen volledig maar ook duurzaam was, waardoor zij aanspraak zou maken op een IVA-uitkering.

De Centrale Raad van Beroep toetste de beoordeling van de rechtbank Oost-Brabant en het UWV, waarbij het medisch oordeel van de verzekeringsarts centraal stond. Deze arts had in een rapport van 31 december 2014 toegelicht dat er op 6 januari 2014 nog een kans op herstel bestond, mede vanwege een verwachte pijnbehandeling en de medische situatie rondom nierinsufficiëntie.

De Raad concludeerde dat het oordeel van de rechtbank en de onderliggende rapporten voldoende inzichtelijk maken waarom de arbeidsongeschiktheid niet als duurzaam kan worden aangemerkt. De latere uitkomst van behandelingen die geen verbetering brachten, rechtvaardigt niet het terugwerkende oordeel dat de arbeidsongeschiktheid per genoemde datum duurzaam was.

Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 6 januari 2014 volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was, waardoor zij recht heeft op een WGA-uitkering en niet op een IVA-uitkering.

Uitspraak

15/8314 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
11 november 2015, 15/532 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 december 2017
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nog nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft laatstelijk gewerkt als fulltime arbeidsvoorwaarden consulent. Zij is sinds 19 september 2011 arbeidsongeschikt voor deze werkzaamheden. Bij besluit van 23 juni 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 6 januari 2014 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 82,67%. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2014 heeft het Uwv ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 16 januari 2015 (bestreden besluit). Daaraan liggen rapporten van 31 december 2014 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 15 januari 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat zij van mening is dat zij op
6 januari 2014 niet alleen volledig arbeidsongeschikt is maar ook duurzaam zodat zij in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. De beoordeling is onvoldoende toegesneden op de individuele situatie. Zo is er bij appellante niet alleen sprake van bekkenklachten maar ook van een chronische nierfunctiestoornis.
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 februari 2016, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 6 januari 2014 als duurzaam moet worden aangemerkt zodat zij ingevolge artikel 47 van Pro de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een
WGA-uitkering.
4.2.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van
4 februari 2009 ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. Hierbij moet hij, uitgaande van de medische situatie op de datum in geding, een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna, dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
4.3.
Het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De rechtbank heeft met juistheid verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 december 2014. In dit rapport heeft de verzekeringsarts inzichtelijk uiteen gezet waarom op 6 januari 2014 nog gesproken kon worden van een kans op herstel. Van de te verwachten behandeling bij de pijnpoli, waarnaar appellante in 2014 verwezen is, mocht afname van de pijn verwacht worden waardoor slapen zou verbeteren, vermoeidheid afnemen en bewegen vergemakkelijken. Daarmee zouden beperkingen voor dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden kunnen afnemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook de nierinsufficiëntie bij de beoordeling betrokken. Het gegeven dat later is gebleken dat de verwijzingen geen verbetering hebben gebracht rechtvaardigt niet de conclusie dat appellante zich op 6 januari 2014 reeds in een medische situatie bevond op grond waarvan duurzame arbeidsongeschiktheid aan de orde is. In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd wordt dan ook geen aanleiding gezien om tot het oordeel te komen dat zij met ingang van
6 januari 2014 ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) J.R. Trox

IJ