ECLI:NL:CRVB:2017:4300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 2004 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Vanaf september 2009 werkte zij als activiteitenbegeleidster, maar meldde deze inkomsten niet aan het UWV. Het UWV ontdekte dit in 2014 en verlaagde de uitkering met terugwerkende kracht, waarbij het een bedrag van €22.648,24 terugvorderde.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar re-integratiecoach op de hoogte was van haar werk en dat zij dacht dat het UWV dit ook wist. Zij stelde dat zij telefonisch contact had gehad met het UWV over de juistheid van haar uitkering, maar kon dit niet bewijzen. Het UWV wees het bezwaar af vanwege schending van de inlichtingenplicht en het ontbreken van een dringende reden om terugvordering achterwege te laten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, wat in hoger beroep werd bevestigd. De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden en dat het UWV op grond van de wet verplicht was het teveel betaalde bedrag terug te vorderen. Er was geen dringende reden om hiervan af te zien, ook niet vanwege vermeend verwijtbaar handelen van het UWV.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde derhalve de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WAO-uitkering bevestigd.