Uitspraak
16.6172 PW
OVERWEGINGEN
.In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2013 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam voerde een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij bleek dat appellant in de periode mei 2014 tot maart 2015 meerdere malen bedragen ontving via bankstortingen van familieleden. Deze bedragen werden niet gemeld aan het college.
Het college herzag daarop de bijstand en vorderde het te veel ontvangen bedrag van €511,86 terug. Appellant voerde aan dat het ging om leningen en bedragen bestemd voor zijn kinderen, en dat daarom geen sprake was van middelen die het recht op bijstand beïnvloeden.
De Raad oordeelde dat periodieke stortingen van derden, ook familie, als inkomen moeten worden beschouwd en dat de niet-gemelde bedragen dus tot terugvordering leiden. De stelling dat het om leningen ging, werd niet aanvaard omdat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Ook het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen werd niet onderbouwd.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.