Uitspraak
10 februari 2015, 13/800 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was gehuwd met G, die een bedrijfskrediet ontving op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004). Na het overlijden van G in 2009 beëindigde het bedrijf en vorderde het college het restant van de lening terug van appellante. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde.
De Raad oordeelde dat het bedrijfskrediet als gezinsbijstand aan beide echtgenoten was verstrekt en dat zij als een eenheid worden beschouwd voor de aanspraken en verplichtingen. Het feit dat zij onder huwelijkse voorwaarden waren getrouwd doorbrak deze hoofdelijkheid niet. Het college heeft terecht appellante hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de terugbetaling.
Hoewel appellante stelde dat het college onzorgvuldig had gehandeld door niet direct na het overlijden tot terugvordering over te gaan, vond de Raad dat dit de toepasselijkheid van het terugbetalingsregime niet aantastte. Op grond van nieuw ingediende inkomensgegevens werd het terug te vorderen bedrag vastgesteld op €3.110,60. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit voor zover het de hoogte van het bedrag betrof en veroordeelde het college in de proceskosten.
Uitkomst: Het terug te vorderen bedrag van de Bbz-2004-lening wordt vastgesteld op €3.110,60 en appellante is hoofdelijk aansprakelijk ondanks huwelijkse voorwaarden.