ECLI:NL:CRVB:2017:4064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag PI-medewerker wegens mishandeling echtgenote en plichtsverzuim
Appellant was werkzaam als medewerker in een penitentiaire inrichting en werd in 2014 veroordeeld voor mishandeling van zijn echtgenote. De minister van Justitie en Veiligheid legde hem daarop ontslag op wegens ernstig plichtsverzuim. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het ontslag handhaafde, stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het bewezen mishandelen van zijn echtgenote een ernstig plichtsverzuim oplevert en dat het gedrag niet als een relatief licht vergrijp kan worden gezien. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat een PI-medewerker die dergelijk gedrag vertoont zijn geloofwaardigheid verliest en een onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormt, ongeacht dat het in de privésfeer plaatsvond.
Daarnaast mocht de minister eerdere incidenten met agressief gedrag van appellant meewegen. Het beroep op onevenredigheid van de opgelegde straf werd verworpen, mede omdat vergelijkbare gevallen niet gelijk waren aan de situatie van appellant. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het ontslagbesluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim na mishandeling van zijn echtgenote.