Uitspraak
OVERWEGINGEN
15 juli 2013.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 15 juli 2013 werkzaam als uitzendkracht bij werkgeefster in de functie van assemblagemedewerker. Tijdens een collectieve bedrijfsvakantie van 22 juli tot en met 2 augustus 2013 was het bedrijf gesloten. Appellante was ziek vanaf 14 augustus 2013 en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde het dagloon vast op €26,91, waarna appellante bezwaar maakte en het dagloon werd verhoogd naar €60,98.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het dienstverband niet was geëindigd door de bedrijfsvakantie, omdat de opdrachtgever geen beroep had gedaan op het uitzendbeding. Ook werd geoordeeld dat de gevorderde toeslag voor ADV-dagen geen vorderbaar loon was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het dienstverband per 22 juli 2013 was geëindigd en per 5 augustus 2013 opnieuw was aangevangen, en dat het dagloon daarom anders berekend moest worden inclusief ADV-toeslag.
De Raad oordeelt dat het uitzendbeding niet is ingeroepen door de opdrachtgever, zodat het dienstverband doorliep vanaf 15 juli 2013. De berekening van het dagloon door het UWV is juist volgens het Dagloonbesluit 2013. De toeslag voor ADV-dagen is niet vorderbaar omdat appellante nog niet voldeed aan de voorwaarden van de ABU-CAO. Het verzoek om uitstel van de zitting wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en te late indiening. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.