ECLI:NL:CRVB:2017:3984
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken levensbedreigende omstandigheden
Appellante, geboren in 1944, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Zij stelde dat zij tijdens de Bersiap-periode vanuit Kupang naar Sumbawa was gevlucht onder levensbedreigende omstandigheden en dat zij beschietingen in Malang had meegemaakt.
Verweerder wees het verzoek af omdat onvoldoende was aangetoond dat appellante direct betrokken was bij oorlogsgeweld. De Raad onderzocht de zaak, inclusief het horen van een getuige, de broer van appellante. Uit het dossier en de getuigenverklaring bleek geen bewijs dat de vlucht vanuit Kupang levensbedreigend was geweest of dat appellante direct betrokken was bij de beschietingen.
De Raad benadrukte dat het meemaken van beschietingen alleen als oorlogsgeweld wordt erkend indien de betrokkene direct betrokken was, bijvoorbeeld door zelf gewond te raken of getuige te zijn van verwondingen of overlijden van naasten. Appellante maakte hiervan geen melding.
Daarom handhaafde de Raad het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.