ECLI:NL:CRVB:2017:3917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-loonaanvullingsuitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante kreeg een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend na het beëindigen van haar loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV trok deze uitkering per 27 februari 2015 in omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% zou bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de arbeidsdeskundige voldoende had toegelicht dat de voorgehouden functies geschikt waren.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met discrepanties tussen verschillende medische oordelen en dat het onderzoek niet zorgvuldig was. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts de beperkingen adequaat had vastgesteld. De Raad wees erop dat verschillen tussen bedrijfsarts en verzekeringsarts niet automatisch tot twijfel leiden over de juistheid van de FML.
De Raad concludeerde dat appellante in staat werd geacht de voorgehouden functies te vervullen, ook met inachtneming van haar medicatie en beperkingen. De intrekking van de WGA-uitkering was daarom terecht. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante wordt bevestigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.