Uitspraak
OVERWEGINGEN
17 oktober 2013 worden aangemerkt als een terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van Pro de Awb.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor de jaren 2011 tot en met 2013. Het Zorgkantoor stelde het pgb voor 2011 lager vast en trok de verlening voor 2012 en 2013 in, mede gebaseerd op een rapport van een bijstandsfraudeonderzoek bij familieleden van appellante.
De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep betoogde appellante dat de kleinzoon AWBZ-zorg had verleend en dat de hulp van haar dochter als mantelzorg niet afdoet aan rechtmatigheid van het pgb.
De Raad oordeelt dat het Zorgkantoor onvoldoende heeft gemotiveerd welke verplichtingen appellante heeft geschonden en dat het onderzoek niet zorgvuldig was. Het rapport van het bijstandsfraudeonderzoek was niet gericht op de vraag of de kleinzoon AWBZ-zorg verleende. Het bestreden besluit voldoet daardoor niet aan de vereisten van zorgvuldig onderzoek en deugdelijke motivering.
De Raad draagt het Zorgkantoor op het gebrek te herstellen door nader te motiveren en te onderzoeken welke verplichtingen zijn geschonden en op welke grondslag het pgb lager wordt vastgesteld en ingetrokken.
Uitkomst: Het Zorgkantoor moet het besluit nader motiveren en onderzoeken welke verplichtingen appellante heeft geschonden alvorens het pgb lager vast te stellen of in te trekken.