ECLI:NL:CRVB:2017:387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvolledige medewerking onterecht
Appellante vroeg op 23 september 2013 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam weigerde de aanvraag op 23 december 2013 omdat appellante niet thuis was bij onaangekondigde huisbezoeken en niet binnen de gestelde termijn telefonisch contact had opgenomen om afspraken te maken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. Hoewel appellante niet op de deur opendeed en niet binnen twee dagen contact opnam, had het college op 20 december 2013 alsnog telefonisch contact met haar gehad. Tijdens dat gesprek hadden afspraken kunnen worden gemaakt om de woonsituatie te onderzoeken. Hierdoor kon het recht op bijstand wel degelijk worden vastgesteld.
De Raad stelde vast dat het college zich onterecht op het standpunt had gesteld dat de medewerkingsverplichting was geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het bestreden besluit was onvoldoende gemotiveerd en daarom vernietigde de Raad het besluit van 5 maart 2014 en het besluit van 23 december 2013. De Raad bepaalde dat appellante met ingang van 23 september 2013 bijstand toekomt en veroordeelde het college in de proceskosten.
Uitkomst: Het college heeft onterecht de bijstandsaanvraag afgewezen; de bijstand wordt toegekend vanaf 23 september 2013.