ECLI:NL:CRVB:2017:3811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens wangedrag door onjuiste declaraties van dienstreizen
Appellant, werkzaam als sergeant der eerste klasse bij de Koninklijke Landmacht, heeft in de periode van 16 februari tot en met 6 maart 2015 onjuiste declaraties ingediend voor veertien retourreizen, terwijl slechts drie tot vier daadwerkelijk zijn gemaakt. Dit leidde tot een ontslagbesluit wegens wangedrag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
Appellant voerde aan dat zijn wangedrag niet aan hem kon worden toegerekend vanwege medische klachten als gevolg van een hersenschudding in september 2014, waaronder concentratieproblemen. Neuroloog en neuropsycholoog bevestigden wel klachten, maar er was geen bewijs dat deze het ontoelaatbare gedrag verklaarden of dat appellant de ernst niet kon inzien. De Raad achtte deze stelling onvoldoende onderbouwd.
Verder betwistte appellant dat hij was aangesproken op de onjuiste declaraties, maar de verklaringen van zijn compagniescommandant bevestigden dit. De Raad vond het ontslag gelet op de ernst van het gedrag en de voorbeeldfunctie van appellant niet onevenredig, ondanks zijn eerdere goede functioneren.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het ontslag wegens wangedrag wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.