Uitspraak
OVERWEGINGEN
9 februari 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 maart 2015 ten grondslag.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 21 juni 2012 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheid van 35,96%. Op verzoek van zijn werkgever vond een herbeoordeling plaats waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat de arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 34,31%. Hierdoor beëindigde het UWV de uitkering per 21 december 2014.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat zijn beperkingen juist waren toegenomen, onder meer op basis van een rapport van een psychiater en een arbeidsdeskundig rapport dat een werkcapaciteit van circa 20 uur per week aangaf. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de psychische beperkingen adequaat waren meegenomen in de beoordeling en dat de medische informatie geen onderschatting van deze beperkingen toonde. De Raad stelde vast dat de situatie op de datum in geding, 21 december 2014, leidde tot een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, waarbij ook de slechte conditie van appellant als gevolg van zijn levensstijl werd meegewogen. Het rapport dat een urenbeperking tot 20 uur per week adviseerde, dateerde van vóór de datum in geding en werd daarom niet doorslaggevend geacht.
De arbeidskundige beoordeling werd eveneens als voldoende onderbouwd beschouwd. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.