ECLI:NL:CRVB:2017:3611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onduidelijkheid financiële situatie
Appellante diende op 5 juli 2013 een aanvraag voor algemene bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na verzoeken om aanvullende gegevens en een gesprek waar appellante niet op verscheen, werd de aanvraag op 26 november 2013 afgewezen omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Tijdens de bezwaarprocedure leverde appellante alsnog stukken aan, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond wegens onduidelijkheden over bankafschriften en het ontbreken van gegevens over een spaarrekening. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij voldoende uitleg had gegeven en dat bij latere toekenning van bijstand geen aandacht werd besteed aan de spaarrekeningafschriften. De Raad oordeelde dat de financiële situatie essentieel is voor de beoordeling en dat appellante niet voldeed aan haar inlichtingenverplichting. De stortingen op haar rekeningen konden niet worden verklaard door haar inkomsten, en onduidelijkheden bleven bestaan.
Het college was bevoegd om ook spaarrekeningafschriften op te vragen, en appellante kon niet aannemelijk maken dat zij geen aanvullende gegevens kon verkrijgen. De Raad concludeerde dat appellante de inlichtingenverplichting schond, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De eerdere latere toekenning van bijstand leidde niet tot een ander oordeel vanwege gewijzigde omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor bijstand wordt afgewezen wegens schending van de inlichtingenverplichting en onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie.