ECLI:NL:CRVB:2017:3596
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek voorziening verhuiskosten na eerdere procedure
Appellante, geboren in 1927 en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht meerdere malen om vergoeding van verhuiskosten van de Verenigde Staten naar Nederland. In 2007 en 2014 werden haar verzoeken afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid, ondanks haar psychische en rugklachten die verband houden met vervolging tijdens de Japanse bezetting.
Na een eerdere procedure waarbij de Raad haar beroep ongegrond verklaarde, verhuisde appellante in september 2014 toch naar Nederland. In een latere procedure werd het besluit van 2014 vernietigd, maar de Raad handhaafde de rechtsgevolgen omdat de verhuizing niet medisch noodzakelijk was. Appellante verzocht vervolgens om herziening van het besluit van mei 2014, wat opnieuw werd afgewezen.
De Raad oordeelt dat de weigering van verweerder om de voorziening toe te kennen reeds onderwerp was van een eerdere procedure en dat de nieuwe argumenten grotendeels een herhaling zijn van eerdere stellingen. Nieuwe argumenten hadden in die procedure ingebracht moeten worden. De Raad acht de afwijzing van het herzieningsverzoek redelijk en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.