ECLI:NL:CRVB:2017:3593
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Strafontslag wegens plichtsverzuim en belangenverstrengeling bij ambtenaar gemeente Den Haag
Appellante was werkzaam bij de gemeente Den Haag en verrichtte onder meer bezoeken aan gedetineerden. Na een strafrechtelijk onderzoek naar een bijstandsklant, met wie zij een vriendschappelijke relatie onderhield, stelde het college een integriteitsonderzoek in. Uit interne en extern onderzoek bleek dat appellante deze bijstandsklant financieel had begunstigd en geen professionele afstand hield, onder meer door het geven van haar creditcard en het sluiten van een maatschapsovereenkomst.
Het college legde haar daarop onvoorwaardelijk ontslag op wegens plichtsverzuim, omdat het vertrouwen in haar integriteit was geschaad. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het plichtsverzuim ernstig was en dat de disciplinaire maatregel niet onevenredig was.
Appellante voerde onder meer aan dat het aanvullende onderzoek niet zorgvuldig was en dat haar leidinggevende niet integer had gehandeld, maar deze verweren werden verworpen. De Raad benadrukte dat aan integriteit in haar functie hoge eisen worden gesteld en dat ook schijn van belangenverstrengeling voldoende is voor ontslag. Het hoger beroep werd afgewezen en het ontslag bleef in stand.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag van appellante wegens plichtsverzuim wordt bevestigd.